Vanmorgen knisperde het pad onder mijn voeten.
De herfst begon haar werk te doen.
Overal lagen bladeren.
Geel, bruin en rood.
Bladeren die kort daarvoor nog stevig aan de takken hingen.
En ineens begreep ik iets.
Iedere herfst gebeurt hetzelfde.
De bomen laten los.
Niet omdat hun bladeren verkeerd zijn geworden.
Niet omdat ze hebben gefaald.
En ook niet omdat ze nooit waardevol zijn geweest.
Hun taak is eenvoudig voltooid.
Ze hebben zonlicht opgevangen.
Schaduw gegeven.
De boom gevoed.
En dus laten de bomen ze los.
Zonder strijd.
Zonder zich vast te klampen aan wat voorbij is.
Wij mensen doen dat vaak anders.
We houden vast.
Aan overtuigingen.
Aan oude rollen.
Aan verwachtingen.
Aan werk dat niet meer past.
Aan relaties die al lange tijd geen energie meer geven.
Niet omdat ze nog goed voor ons zijn.
Maar omdat ze ooit belangrijk waren.
Dat herken ik ook bij mezelf.
Sommige gewoonten hebben mij jarenlang geholpen.
Doorzetten.
Verantwoordelijkheid nemen.
Sterk blijven.
Altijd doorgaan.
Ze hebben me gebracht waar ik nu ben.
Maar wat ooit een kracht was…
…kan later een last worden.
Niet omdat het toen verkeerd was.
Maar omdat de tijd is veranderd.
En ik misschien ook.
Misschien vraagt het leven ons daarom af en toe hetzelfde als de bomen.
Niet om alles los te laten.
Maar wel datgene waarvan de tijd voorbij is.
Datgene wat zijn functie heeft vervuld.
Dat voelt spannend.
Alsof je iets kwijtraakt.
Alsof er niets voor in de plaats komt.
Maar misschien verlies je niet alleen iets.
Misschien maak je juist ruimte.
Ruimte voor rust.
Voor een nieuwe richting.
Voor iets wat nog niet zichtbaar is, maar wel wil groeien.
Zoals iedere lente begint met een herfst die durfde los te laten.